Sicilië in de prehistorie

De vroegste prehistorie van de mens wordt onderverdeeld in periodes gebaseerd op het gebruik en voorkomen van gebruiksvoorwerpen in steen of metaal. De vroegste werktuigen in steen waren simpel, deze periode wordt de oude Steentijd genoemd, het Paleolithicum. De stenen werktuigen van de nieuwe steentijd, het neolithicum, waren al dusdanig verfijnd dat men ook wel spreekt van microlieten; de speerpunten, pijlpunten en schrapers van vuursteen en obsidiaan. Het neolithicum ging vervolgens over in de kopertijd toen de eerste metalen werden gebruikt, daarna in de bronstijd en tenslotte in de ijzertijd. In de kopertijd en de bronstijd werden pijlpunten echter in veel gevallen nog steeds van steen gemaakt omdat metaal een luxe produkt was.
De onderstaande tekst is voornamelijk ontleend aan het werk van Robert Leighton, Sicily before History, dat over de hele prehistorie van Sicilië gaat van het paleolithicum tot aan de 7de eeuw voor Christus.

Het laat-Paleolithicum (40.000-10.000 v C)

Het bewijs voor de eerste aanwezigheid van de mens in een bepaald gebied berust op de vondsten van deze stenen werktuigen, het blijkt echter niet altijd makkelijk om ook bewijs te leveren dat overtuigend is. Dat geldt ook voor Sicilië waar net als op Sardinië voor het Paleolithicum bewijs lijkt te zijn gevonden voor de aanwezigheid van de mens, mogelijk omdat deze eilanden groot genoeg waren voor een gemeenschap van jagers-verzamelaars om te kunnen overleven. Maar het bewijs is nog onvoldoende om dit onweerlegbaar te bevestigen 1.
Van de late periode van het Paleolithicum, ook wel Epigravettian (Epigravettiaan) genoemd, zijn vindplaatsen bekend op Sicilië en uit de laatste fase zijn ook grottekeningen en versieringen bekend, een teken van ontwikkelde cognitieve vaardigheden van de mens in deze periode. Het ging om groepen jagers-verzamelaars, hun diëet en leefgewoonten blijkt uit de vondsten in grotten aan de kust en ook wel oppervlakte vondsten in het binnenland. Analoge vondsten zijn gedaan in Zuid-Italië wat wijst op een continuïteit in ruimte tussen Sicilië en de rest van Italië, met Noord-Afrika zijn op dat moment nauwelijks contacten 2.

Het Mesolithicum (10.000 - 6.000 v C)

Hoewel men in het algemeen de overgang van laat-Paleolithicum naar Mesolithicum rond 10.000 v C dateert, is er niet echt sprake van een duidelijke scheidslijn. Wel zijn er ontwikkelingen te zien in de leefgewoonten van de mens in deze periode. In Sicilië zijn de meeste archeologische vondsten uit het Mesolithicum in grotten gedaan. Beroemd zijn de grotten van Uzzo en de Grotta dei Genovesi op Levanzo. Opvallend is dat het dieet van de groepen jagers-verzamelaars verschuift naar een veel groter aandeel van vis, de voornaamste reden hiervan is de klimatologische verandering waardoor de grote kuddes steeds meer verdwenen uit het mediterrane gebied. De activiteit van de visvangst leidde niet alleen tot een meer sedentaire leefwijze maar ook tot contacten overzee met bijvoorbeeld Lipari waar het vulkanische glas vandaan kwam datin toenemende mate gebruikt werd voor het vervaardigen van fijn gereedschap. Er zijn ook aanwijzingen dat voor het eerst klei gebruikt werd bij de bereiding van voedsel, zij het in primitieve vorm als bakplaten. In de vele grotten in het westen van Sicilië zijn ook tekeningen gevonden die uit deze periode stammen, beroemd zijn de grottekeningen op Levanzo in de Grotta dei Genovesi en de Grotta dell'Addaura bij Palermo. Het gaat hier om vrij realistische tekeningen van dieren- en mensenfiguren 3.

Het Neolithicum (6000 v C - 3500 v C)

Aan het begin van het neolithicum werd de landbouw en de domesticatie van vee (schapen, geiten en runderen) geïntroduceerd. Er wordt wel gesproken van de revolutie van het neolithicum, maar nu gaan archeologen steeds meer uit van een evolutie waarbij de technieken van landbouw en domesticatie van veeteelt zich geleidelijk of met schokken over Europa verspreidden. De landbouw en veeteelt op Sicilië lijkt via Apulië te zijn geïntroduceerd. Of dit gepaard ging met culturele verspreiding van kennis of door migrerende bevolkinsgroepen is niet altijd bekend. De oudste sporen komen van de Uzzo grot (in het westen van Sicilië), waar dateringen van rond 5700-5500 v C zijn gemeten voor organisch materiaal waaronder zaden en botten. Het lijkt er op dat er in het oosten van Sicilië weinig sporen van bewoning uit het Mesolithicum zijn en dat de introductie van neolithische groepen met de gemengde landbouw en veeteelt een relatief sterke toename laat zien in aantal nederzettingen. De overgang zou op de vruchtbare vlaktes abrupter zijn geweest. In de Uzzo grot zijn er juist aanwijzingen dat het dieet van de jagers-verzamelaars in het neolithicum aangevuld werd met landbouw en veeteelt producten, een teken dat de nieuwe technieken overgenomen werden door de oorspronkelijke bewoners. Hier lijkt de overgang veel geleidelijker te zijn gegaan.

Het aardewerk uit het neolithicum wordt gekenmerkt door inkervingen met behulp van objecten zoals schelpen, ook wel impresso-aardewerk genoemd (engelse term impressed wares). De specifiek zuid-Italiaans en Siciliaans variant wordt Stentinello aardewerk genoemd, naar de vindplaats vlak bij Syracuse. In West-Sicilië is een variant gevonden die de Kronio stijl wordt genoemd. Gedurende het neolithicum werd ook geschilderd aardewerk geproduceerd (painted ware) in twee of drie kleuren.
Van nederzettingen is relatief weinig bekend, wel is bekend dat een terrein werd omgeven door een greppel en dat de huizen soms met palen werden gebouwd zoals in de rest van west-Europa of uit klei opgetrokken zoals in het Midden-Oosten. De bekendste archeologische sites zijn Stentinello bij Siracuse en Piano Vento bij Agrigento. In het begin van het neolithicum vestigden mensen zich ook op de kleinere eilanden zoals Lipari en verrassend genoeg ook op Pantelleria en Lampedusa, een bewijs dat de zeevaart al in de neolithische tijd zich ontwikkelde. Er was een netwerk van uitwisseling van goederen, waaronder obsidiaan van Lipari en Pantelleria en aardewerk, vuursteen en oker vanuit Sicilië.

Aanvankelijk was de kennis over de neolithische graf culturen beperkt tot een paar schachtgraven, niet meer dan ovale gaten in de grond. Nieuw bewijs is gevonden dat sommige in de rots uitgehouwen grafkamers die men toeschreef aan de koper tijd al in gebruik waren in de midden-neolithische tijd. Daarnaast is het mogelijk dat grotten gebruikt werden als grafkamers. In sommige grotten zoals de Grotta dei Genovesi op Levanzo zijn tekeningen gevonden van menselijke figuren die stammen uit de neolithische tijd. Deze verschillen wezenlijke van de tekeningen uit de voorgaande periode 4.

Het Calcolithicum, de koper tijd (3500 v C - 2500 v C)

Met het eerste gebruik van metaal, koper dat gemakkelijk te winnen en te bewerken was, breekt een nieuwe tijd aan. Het is echter niet zo dat het metaal alom gebruikt werd, nog steeds waren werktuigen van andere materialen veel belangrijker, ook omdat koper geen sterk metaal is.
In de kopertijd waren er drie types graven, die in natuurlijke grotten, schacht- of putgraven en graven van uit de rots gehouwen kamers. Deze laatste twee types werden afgesloten door een platte steen. De grotere graven stammen uit de latere kopertijd en werden hergebruikt voor het bijzetten van de doden. De meeste grafkamers zijn uitgehouwen uit zachte rots zoals kalkrots (Ribera) of gipsmergel (Piano Vento). Naast de graven zijn putten met grafgiften gevonden, gebroken aardewerk, verbrandde resten en zelfs beeldjes. Het grootste bekende grafveld is het Hypogeum van Calaforno. Uit de late kopertijd stammen de graven met een gang of corridoor zoals die van Salaparuta, vergelijkbaar met de Europese allee couverte, megalithische grafstructuren 5.

Over nederzettingen is veel minder bekend, naast gebruik van grotten voor bewoning, maar ook voor graven, zijn er sporen gevonden van hutten. De meeste nederzettingen lagen langs rivieren en op heuveltoppen. De sites zijn herkenbaar aan de vondsten van de verschillende aardewerk stijlen van de koper tijd, naast ingegegraveerde motieven was er ook geschilderd aardewerk (Serraferlicchio) en hoewel de vormen lijken op die vaan aardewerk uit het oostelijke Middellandse Zeegebied is nog niet aangetoond dat er ook directe contacten waren. Naast deze traditionele vormen van aardewerk zijn er ook veel sites met aardewerk van de Europese klokbeker cultuur gevonden, net als op Sardinië. Dit wijst mogelijk op immigratie vanuit het Europese vasteland naar de eilanden. Net als op Sardinië zijn ook schedels gevonden waarin gaten geboord zijn, een soort prehistorische chirurgie 6.

Noten

1 Leighton 1999, p 11,21
2 Leighton 1999, p 22-30; Renfrew 2000, p 174-177 over samenlevingen en hun organisatie van politieke en religieuze verhoudingen; Over Gravettian zie Wikipedia over Gravettian
3 Leighton 1999, p 30-50
4 Leighton 1999, p 51-85
5 Leighton 1999, p 87-99
6 Leighton 1999, p 99-112

Bibliografie

1. Leighton, R. 1999, Sicily before history An Archaeological Survey from the Palaeolithic to the Iron Age, London
2. Renfrew, C. and P. Bahn 2000: Archaeology: Theories Methods and Practice, London

Laatst gewijzigd 29/09/2015
©2019 Motya.info Sitemap Privacy Contact